Darwin, vinken en spotvogels

Blog door junior conservator wetenschap Moed de Vries

Op 2 oktober 1836 eindigde de tweede reis van de H.M.S. Beagle onder leiding van kapitein FitzRoy en begon het ordenen en uitgeven van de verzamelde diersoorten op de expeditie. Een jonge Darwin ging weer aan wal in Engeland, er moest gewerkt worden!

De reis met de Beagle is inmiddels tot bijna mythische proporties verheven,  het wordt zelfs ‘misschien wel de belangrijkste reis ooit’ genoemd. Charles Darwin (1809-1889), een van de bekendste namen in de geschiedenis van de wetenschap, is aan het begin van de reis met de Beagle in feite nog ‘niemand’. Sterker nog, kapitein FitzRoy vond het bij Darwins aanmelding voor de reis zaak te benadrukken dat dit wel een reis voor serieuze natuurwetenschappers was, niet iets voor een ‘mere collector’ (‘slechts een verzamelaar’).

Van 1832 tot 1836 zeilt de Beagle de wereld rond, en van 1839 tot 1843 worden de tijdens de reis gedane bevindingen gepubliceerd. Teylers Museum bezit zo’n publicatie van The zoology of the Voyage of H. M.S. Beagle, 5 delen door vooraanstaande wetenschappers uit die tijd. De delen beschreven de zoogdierfossielen, levende zoogdieren, vogels, vissen en reptielen (allemaal volledig door te bladeren op de website van Teylers Museum), en zijn rijk geïllustreerd. Wat de reis ‘misschien wel de belangrijkste reis ooit’ maakt is natuurlijk dat tijdens de reis het concept van de natuurlijke selectie in de biologie bij Darwin begint te dagen.

De evolutietheorie is ons allemaal op school geleerd, vaak middels het perfecte voorbeeld van de Galápagosvinken. De vinken, die met hun perfecte doelgerichte snaveltjes geïnspireerd zouden hebben tot de grootste theorie in de biologie. Ter plaatse al, zou Darwin gegrepen zijn door de diversiteit van de vinken en moeten hebben gedacht dat er een soort aanpassingsmechanisme in werk moest zijn. Dit is alleen helemaal niet het geval. De vinkenmythe is gevormd door een ander boek, dat uit de 20e eeuw stamt. Door zowel data-analyse als historische analyse is de opkomst en verspreiding van deze mythe bepaald.

De vinken worden amper genoemd in Darwin’s Journal of Researches. In On the Origin of Species, voor het eerst in het Nederlands vertaald door Teylers conservator Tiberius Winkler, worden de vinken zelfs helemaal niet genoemd. Er werden wel vinken meegebracht door Darwin naar Engeland. Die werden door de ornitholoog John Gould in 13 soorten onderverdeeld (later bleken het slechts 9 soorten te zijn met ondersoorten, maar Gould had te weinig materiaal om dit te bepalen). Het waren echter niet deze vinken die geleid hebben tot de evolutiegedachte. Uit aantekeningen van Darwin blijkt dat deze gedachte bij hem persoonlijk begon te vormen na het observeren van de variatie in spotvogels en schildpadden. Hij schreef hierover, dat als zijn vermoedens correct zijn: ‘deze feiten de stabiliteit van soorten ondermijnen’. Later voegde hij voorzichtig het woordje ‘zouden’ toe voor 'ondermijnen'.

Darwin speelde weliswaar een cruciale rol in het formuleren en publiceren van ideeën over evolutiebiologie, wij vormden weer ideeën over de vorming van díe ideeën. Meta-meetbare mythevorming dus.

The zoology of the voyage of H.M.S. Beagle, under the command of Captain Fitzroy, R.N., during the years 1832 to 1836. Afbeeldingen uit deel 3, Birds by J. Gould.

Moed de Vries werkt sinds 2020 als junior conservator wetenschap in Teylers Museum. Deze blog werd geschreven op 17 april 2020.