De Coelacanth

Blog door rondleider Corry Hilterman

Coelacanth is een sjieke naam voor een ‘kwastvinnige’ vis. Hij wordt beschouwd als een evolutionair tussenstapje tussen vissen en amfibieën - de verre voorloper van viervoetige dieren. Zijn vinnen lijken namelijk een soort aanzet tot pootjes te hebben.

Nog vreemder is, dat hij een ‘levend fossiel’ wordt genoemd. Dat is natuurlijk een contradictio in terminis, maar toch zit er een logica achter. De vis was namelijk eerst alleen als fossiel bekend en werd als uitgestorven beschouwd. Totdat ... er een levend exemplaar werd opgevist! Sindsdien weten we dat kwastvinnige vissen nog steeds ‘onder ons’ zijn, en vandaar dus de naam ‘levend fossiel’. 

Hoe ging die buitengewone vondst in zijn werk?

Op 22 dec. 1938 ving een trawler bij de Zuid-Afrikaanse kust voor de monding van de Chalumna-rivier een 1.60 m lange, 57 kilo zware, vreemde vis. Kapitein Goosen bracht hem naar de conservator van het Natuurhistorisch Museum in East London, een plaats aan de oostkust van Zuid-Afrika (‘Oos-Londen’). Haar naam was Marjorie Courtenay-Latimer. Zij liet de vis opzetten en zond een brief naar ichtyoloog prof. J.L.B.Smith. Toen deze de brief openmaakte 'leek er een bom in mijn hersens te ontploffen' zoals hij later schreef. Hij zag meteen dat het een ‘Coelacanth’ was. De naam is samengesteld uit de Griekse woorden koilos = hol en akantha = (kraakbeen)buis. Maar Coelacanthen waren volgens de kennis van toen al 50 tot 70 miljoen jaar uitgestorven.... Hij noemde het levende dier in officiële termen: Latimeria Chalumnae (naar Marjorie Latimer, die hem op de vis attendeerde, en de naam van de rivier waar hij opgevist was.)

Smith wilde natuurlijk meer dieren vinden. Om een vers, gaaf exemplaar te bemachtigen, verspreidde hij pamfletten langs naburige kusten en loofde een beloning uit van 100 pond. Pas in 1952 kreeg hij ‘beet’: op de vismarkt op een van de Comoro-eilanden was een 1.30 m. lange vis gesignaleerd. Smith vloog met een militair vliegtuig naar de Comoren. Hij schreef: 'Ik knielde op het dek neer en toen ik de vis streelde merkte ik dat er tranen op mijn handen drupten.'

Dit nieuwsfeit stond op 30 december 1952 in dagblad Trouw. Een redacteur had het bericht via Reuter opgepikt en voor de zekerheid prof. Jan Lever (hoogleraar dierkunde aan de VU in Amsterdam) opgebeld om bij hem te checken of het belangrijk was. Hij bevestigde met kracht, en zo kwam het nieuws in Nederland. (Jan Lever, Feniks en broedmachine, Ginkgo 2003).

 
Overigens ben ik van mening dat de naam niet Latimeria Chalumnae moet zijn, maar ‘Goosenia Chalumnae’...

Gerrit Achterberg schreef in 1953 een gedicht naar aanleiding van de vondst:

Ichthyologie

Er is in zee een coelacant gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor ’t eerst verbonden

de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.

Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.

Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.


uit: Cenotaaf (1953)

Corry Hilterman geeft sinds 2019 rondleidingen in Teylers Museum. Deze blog werd geschreven op 27 maart 2020.