De kip met gouden eieren geslacht

Blog door conservator Jan Pelsdonk

Zo af en toe wordt er bij graafwerkzaamheden iets gevonden waarvan niemand het bestaan meer kende. Dat op hun beurt ook deze vondsten weer in het vergeetboekje kunnen belanden toont deze blog. Hiervoor neem ik u mee terug in de tijd naar het Barneveld van de negentiende eeuw.

In 1871 werd daar een weeshuis gebouwd op de plaats waar eerder het Drostehuis (Trossenhuis) stond, in het centrum van Barneveld (ruwweg op de hoek Amersfoortsestraat – Magnoliaweg, op zo’n 200 meter van Museum Nairac). Toen zeven arbeiders er eind oktober van dat jaar in de tuin een waterput aan het graven waren, vonden zij een aardewerken pot met maar liefst 2023 gouden munten. De oudste exemplaren dateren uit het begin van de vijftiende eeuw en de jongste bleken in 1546 te zijn geslagen; bijna 150 jaar later. Het ontbreken van nieuwere munttypen doet vermoeden dat de schat in of kort na dat jaar zal zijn verborgen. Het komt vaak voor bij schatvondsten dat er een grote spreiding in tijd is tussen de oudste - en jongste munten. Zeker bij breed geaccepteerde munten van goed gehalte gebeurde dit vaak.

Al snel na de vondst werden de burgemeester en notabelen erbij gehaald en zij pakten de zaak professioneel op. De munten vonden hun weg naar Johan Meijer (1815-1889), die in die dagen directeur was van het Koninklijk Kabinet van Munten, Penningen en Gesneden Steenen. Na de vastlegging ging de vondst weer terug naar de vinders, die deze op harmonieuze wijze onderling en met de grondeigenaar hebben verdeeld. Meijer werkte zijn beschrijving uit in een artikel, dat hij in juni 1872 ter publicatie aanbood voor de Revue de la Numismatique Belge.1 (In België dus, het zou nog tot 1893 duren voordat ook in Nederland een numismatische publicatiereeks het levenslicht zag.) Hiermee was de kous af. De munten vonden in de loop van de tijd via verkoop hun weg naar verzamelaars. Doordat zij veelal verzuimden om de herkomst van hun munten te registreren, verloren de meeste stukken de waardevolle context.

Dat veelal niet altijd betekent toont de cartotheek van Theodorus Marinus Roest (1832-1898), die van 1889 tot zijn overlijden de eerste conservator van het numismatisch kabinet van Teylers Museum was. Niet alleen bouwde hij een uitgebreid kaartsysteem op over de numismatische collectie van het museum, hij deed dit ook met zijn eigen verzameling, die hij aan het museum legateerde. Inclusief de bijbehorende kaarten, waarop hij in veel gevallen tevens de herkomst van de stukken noteerde. Hieruit blijkt dat hij in of kort na 1871 26 munten verwierf uit de schatvondst Barneveld.

De 26 munten komen ontegenzeggelijk uit deze vondst. Kleine onnauwkeurigheden bij de registratie van aankoop maakten dit echter pas duidelijk toen de munten als groep werden bestudeerd. Vaak schreef Roest namelijk alleen ‘vondst Barneveld’, soms vergezeld van het jaartal 1870 en één keer 1872. Als literatuurverwijzing wordt alleen zijn eigen – overigens grondige – reeks publicaties over Gelderse munten vermeld, die in de jaren 1890 in de Revue de la Numismatique Belge verschenen.2 De toeschrijving werd ook gehinderd doordat hij niet naar het artikel van Meijer verwees.

 

Gelre, Karel van Egmond (1492-1538), clemmergulden. Zonder jaar, goud, 23 mm (TMNK 06425) met door Roest gemaakte steekkaart

Gelre, Karel van Egmond (1492-1538), rijdergulden. Zonder jaar, goud, 25 mm (TMNK 06504) met door Roest gemaakte steekkaart

Zoals gebruikelijk toont de schatvondst niet alleen munten die binnen de huidige Nederlandse landsgrenzen zijn geslagen. Zo zijn er ook exemplaren uit Italië, Spanje, Engeland en Duitsland vertegenwoordigd. Dat slechts een klein deel van deze schatvondst in Teylers Museum terecht zou komen, heeft niets te maken met het budget dat Roest tot zijn beschikking had, want dat was groot. Het had echter alles te maken met Roests interesse in de Gelderse munten en daarvan zaten er niet zo veel in de vondst. De exemplaren in Teylers Museum zijn allemaal Gelderse goudguldens. Meer specifiek gaat het om acht clemmerguldens en achttien rijderguldens, waarbij de munten onderling slechts op details afwijken. De clemmerguldens tonen een staande Johannes de Doper, de rijderguldens een geharnaste ruiter met opgeheven zwaard. Al deze munten dragen de naam van de Karel van Egmond, die van 1492-1538 het hertogdom Gelre bestuurde.

Wie er in de zestiende eeuw op de locatie van de schatvondst woonde is onbekend. Gezien de omvang van de vondst moet het een voornaam persoon zijn geweest. Het is niet eenvoudig om het verbergingsmoment van deze schat aan een historische gebeurtenis te koppelen. In 1543 was Gelre na jarenlange strijd onder het bewind van keizer Karel V gekomen. De Gelderse Vallei werd tot die tijd decennialang geplaagd door bendes die voor eigen rekening of in dienst van de een of andere heer rondtrokken.3 De schat dateert echter op zijn vroegst uit 1546. Of er toen nog roversbendes actief waren en of dat de reden was voor het niet meer ophalen van de munten is onbekend. Zoals altijd zijn het de ‘kleine’ persoonlijke drama’s die hun weg naar de geschiedenisboekjes slecht weten te vinden; een plotseling overlijden door een ongeval of ziekte kan al voldoende zijn om de verblijfplaats van het spaargeld in de vergetelheid te doen belanden. Hoe het ook zij; in dit geval heeft de bezitter, door de bergplaats aan niemand mee te delen, voor zijn nazaten de spreekwoordelijke kip met gouden eieren geslacht.


Noten
1.      Meijer, J.F.G. (1872) Notice sur la trouvaille de Barneveld, in: Revue de la Numismatique Belge 4, 368-391 en 442-466.
2.      Pelsdonk, Jan & Paul Oostervink (2018) Theodorus Marinus Roest. Een leven ten dienste van de numismatiek, in: Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 105, 29-65, specifiek 61-63.
3.      Schut, Peter (2018) Muntvondsten getuigen van de roerige geschiedenis van Barneveld, in: Oud Barneveld 125, 15-26.

Jan Pelsdonk is sinds 2008 conservator van het numismatisch kabinet. Dit blog werd geschreven op 10 februari 2021.