De vervloekte burggraaf

Blog door Jan Stobbe, vrijwilliger Mineralogie bij de Afdeling Wetenschap

Er was eens, heel lang geleden, in het stadje Elbogen in het koninkrijk Bohemen, een wrede burggraaf, die zijn onderdanen zware belastingen oplegde. Grote armoede en hoge sterfte teisterden de arme populatie van voornamelijk boeren en mijnwerkers gedurende vele jaren.

De plaatselijke toverkol probeerde een einde aan de ellende te maken. Ze sprak een vloek over de graaf uit, waarna donder en bliksem zijn burcht en het nabijgelegen woud troffen. Nadat het onweer was gestopt hervatten de inwoners hun dagelijkse werkzaamheden. Een van hen vond tijdens het kappen van een boom een merkwaardige grote steen. Al snel werden een smid en een mijnwerker verwittigd om dit onbekende metalen object te beoordelen, dat van ijzer bleek te zijn.

De inmiddels in grote getalen toegesnelde mensen herkenden de kop van de verwenste burggraaf in de vorm van de steen. De vloek was dus succesvol gebleken. Maar de angst voor de graaf bleef. Om zeker te zijn dat de graaf hen niets meer zou maken, ketende men het object in ijzeren boeien en smeet het in de diepe bron van de burcht. Zo waren de inwoners er zeker van dat der verwünschte Burggraf nimmer zou terugkeren.

En dat gebeurde ook niet. Ze leefden nog lang en gelukkig.

Het volksverhaal over de vondst van een bijzondere steen in Elbogen (tegenwoordig Loket in de republiek Tsjechië) dateert uit de periode tussen 1350 en 1430. De steenklomp bleef bijna vier eeuwen onvindbaar maar werd uiteindelijk in 1776 teruggevonden en naar het stadhuis van Elbogen gebracht. Een wetenschappelijk onderzoek naar de herkomst en samenstelling van de steen kon beginnen.

De Oostenrijker Alois von Beckh Widmanstätten (1751-1849), onderzocht de steen en ontdekte in 1808 na verhitten en etsen lamelvormige structuren aan de oppervlakte. Die ontstaan doordat de verschillende natuurlijke nikkel-ijzerlegeringen in de steen bij uiteenlopende temperaturen oxideren. De structuren zijn bekend gebleven als Widmanstättense figuren.

Opvallend is dat Von Widmanstätten voor het eerst in 1811 vaststelt dat het daadwerkelijk om een (ijzer)meteoriet gaat. Een jaar later wordt de steen van 107 kilo in stukken gezaagd en aangeboden aan musea, universiteiten, wetenschappers en verzamelaars over de gehele wereld.

Het grootste stuk (79 kilo) gaat naar het Kaiserliche Köningliche Naturhistorisches Kabinett in Wenen (de voorloper van het huidige Naturhistorisches Museum) en 14 kilo naar het stadhuis van Elbogen. Teylers Museum bezit een representatief fragment van 38,8 gram, waarop resten van de bewerking nog zichtbaar zijn. Bij het stuk hoort een antiek etiket, vermoedelijk in het handschrift van de 18de eeuwse Parijse handelaar in naturalia Charles Lambotin.

Volgens internationale afspraken krijgt een nieuwe meteoriet altijd de naam van de oorspronkelijke vindplaats. De precieze datering van de val of de ontdekking wordt bepaald op 1400, dat weliswaar binnen de datering van het volksverhaal ligt maar verder arbitrair is. De ijzermeteoriet van Elbogen zal echter altijd bekend blijven staan onder zijn legendarische naam; Der verwünschte Burggraf.

Jan Stobbe is betrokken als vrijwilliger mineralogie van de afdeling Wetenschap. Deze blog werd geschreven op 29 mei 2020.