Gassel 1881, een onbekende schatvondst

Blog door conservator Jan Pelsdonk

Veel middeleeuwse munten die zich tegenwoordig in openbare - en privécollecties bevinden zijn op enig moment in de bodem gevonden. Met name schatvondsten spreken daarbij tot de verbeelding. Daarbij wordt geregeld vergeten dat zij naast een geldelijke waarde ook een historische waarde hebben. Uit schatvondsten kunnen onderzoekers namelijk informatie destilleren over de geldcirculatie en de bezitter van de munten. Bovendien helpen schatvondsten soms om slecht dateerbare munten beter in de tijd te plaatsen.

Een van de mensen die zich in de negentiende eeuw met schatvondsten bezighield is Theodorus Marinus Roest (1832-1898), de eerste conservator van het Numismatisch Kabinet van Teylers Museum. Zijn verzameling Gelderse munten – die hij aan het museum legateerde – bevat diverse munten waarvan bekend is dat zij uit schatvondsten afkomstig zijn. Hij noteerde doorgaans de herkomst in de cartotheek die hij over zijn verzameling bijhield. In oktober en november 1881 kocht Roest een klein aantal gouden munten, gevonden in het plaatsje Gassel bij Grave. Het gaat om de zes in deze blog afgebeelde stukken.

Zeer waarschijnlijk zijn deze munten afkomstig uit één schatvondst. Wie een munt laat vallen geeft het zoeken namelijk sneller op bij een onbeduidend koperstuk dan bij een gouden munt van grote waarde, laat staan dat er meerdere gouden munten verloren zouden zijn. Bovendien zijn deze munten in een kort tijdsbestek aan Roest getoond. Of hij de hele vondst heeft gekocht of er slechts ‘snoepjes’ uit heeft genomen is niet bekend. Hij kocht echter vier Gelderse halve realen die onderling zo weinig van elkaar afwijken dat er voor een verzameling één volstaan zou hebben. Daarom zou verondersteld kunnen worden dat hij de hele vondst heeft verworven. De twee aankoopmomenten (drie in oktober en drie in november 1881) zouden kunnen duiden op twee vinders, die de munten onderling hebben verdeeld. Dat het verdelen van een schat niet altijd eenvoudig is blijkt uit de zeldzame munt van Batenburg. Betaalde Roest voor de eerste vijf munten tussen de vier en vijf gulden per stuk, voor het Batenburgse exemplaar was hij bereid om f 40 neer te tellen. Dat bedrag is vergelijkbaar met 1 à 2 maandsalarissen voor een geschoold bouwvakker; een klein vermogen voor een muntje.

Batenburg, dubbele gouden dukaat op naam van Willem V van Bronckhorst (1556-1573). 1556-1573, goud, 29 mm (TMNK 07388)

Als deze zes munten inderdaad uit één bodemvondst komen – de schatvondst zou dan Gassel 1881 heten – dan kunnen zij als eenheid worden bestudeerd. De toenmalige eigenaar is niet bekend, mogelijk was het een lokale boer die het geld had ontvangen bij de verkoop van vee of oogst. Over het tijdstip van verberging is meer te vertellen. De oudste munt is een rijdergulden van de Gelderse hertog Karel van Egmond, uit de periode 1492-1538. Deze munt wordt gevolgd door een dubbele gouden dukaat uit Batenburg (1556-1573). De vier halve realen van koning Philips II uit de periode 1562-1576 vormen de sluitmunten: de schat kan niet vóór 1562 zijn verborgen. Dit jaartal wordt ook wel de terminus post quem genoemd.

Het moment van verberging is een stuk lastiger vast te stellen. Vaak zijn de oudste munten in een vondst al zo’n 100 jaar voor verberging geslagen. Vergelijking met andere schatvondsten helpt met de datering. Zo komen halve realen van Philips II geregeld in vondsten voor. De laatste keer is dit in 1635 (schatvondst Borkel en Schaft 1932). De jongste vondst met een rijdergulden van Karel van Egmond is Groede 1943, die in of na 1569 is verborgen. Dubbele dukaten uit Batenburg komen vrijwel niet in schatvondsten voor, de jongste is Urk 1995, in of na 1598 verborgen. Op basis van deze schatvondsten is het zeer waarschijnlijk dat de schat Gassel 1881 ergens tussen 1562 en 1635 aan de bodem is toevertrouwd. Binnen deze brede periode is mogelijk nog een verfijning aan te brengen. Alle munten tonen slijtage door gebruik, met uitzondering van de Batenburgse munt. Mogelijk is de schat begraven kort nadat deze munt is geslagen, dat zou waarschijnlijk ergens in de periode 1562-1573 zijn geweest. Of zou de Batenburgse dubbele gouden dukaat enige decennia niet zijn gebruikt? Zonder meer context blijft het vaststellen van het exacte verbergingsmoment lastig...

Ook historische gebeurtenissen geven een aanknopingspunt. Gassel ligt op zo’n 2 kilometer van het vestingstadje Grave, dat in 1586 door de Spanjaarden belegerd en ingenomen werd. Enkele jaren later, in 1602, gebeurde het omgekeerde toen een Staats leger onder bevel van prins Maurits de stad na een belegering innam. Het is verleidelijk om de schatvondst te verbinden aan een van deze twee oorlogshandelingen, want het is bewezen dat in tijden van oorlog en onzekerheid vaker spaargeld verloren gaat dan in een tijd van vrede. Maar uiteraard kan het ook domme pech zijn geweest, waarbij de bezitter plotseling overleed voordat hij aan iemand de bergplaats heeft kunnen vertellen.

 
Gelre, rijdergulden op naam van Karel van Egmond. 1492-1538, goud, 24 mm (TMNK 06514)

 
Gelre, halve reaal op naam van Philips II. 1562-1576, goud, 25 mm (TMNK 06659)

 
Gelre, halve reaal op naam van Philips II. 1562-1576, goud, 25 mm (TMNK 06660)

 


Gelre, halve reaal op naam van Philips II. 1562-1576, goud, 25 mm (TMNK 06664)



Gelre, halve reaal op naam van Philips II. 1562-1576, goud, 25 mm (TMNK 06665)

Jan Pelsdonk is sinds 2008 conservator van het numismatisch kabinet. Dit blog werd geschreven op 20 juli 2020.