Multatuli en de penningkunst

Blog door conservator Jan Pelsdonk

Te midden van het coronageweld zijn we afgelopen maand stilzwijgend voorbijgegaan aan de tweehonderdste geboortedag van Eduard Douwes Dekker (1820-1887), ook bekend onder zijn pseudoniem Multatuli. Als ambtenaar in Nederlands-Indië zag hij vele wantoestanden, die hij via publicaties aan de kaak stelde. Het bekendste werk van zijn hand is zijn roman Max Havelaar, of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij uit 1860.

Multatuli had enige tijd een vurige verhouding met zijn nicht Sietske Abrahamsz (1842-1912), die later zou trouwen met Georg Wienecke (1821-1884). Een van Sietskes kinderen zou in de eerste decennia van de twintigste eeuw een van de meest vooraanstaande Nederlandse medailleurs worden: Johannes Wienecke (1872-1945).

Stel dat Eduard en Sietske de rest van hun leven bij elkaar waren gebleven. Dan had de medailleur Wienecke niet bestaan. Dan hadden we de Nederlandse munten van het type ‘hermelijnen mantel’ en het type ‘opgestoken haar’ niet gehad, evenmin als enige munten voor Nederlands-Indië. Dan hadden ruim 450 penningontwerpen, rijwielbelastingplaatjes en gasmeterpenningen niet bestaan of ze zouden er totaal anders hebben uitgezien... Volgens de mondelinge overlevering waarschuwde mijn overgrootmoeder – een tijdgenoot van de medailleur – al voor dit soort onzinnige a(l)s/dan-constructies. Afhankelijk van het weer placht ze te zeggen ‘as is verbrande turf’ of ‘as me tante klootjes had gehad was het me oom geweest’.

Chris van der Hoef, honderdste geboortedag van Eduard Douwes Dekker in 1920 (brons, 41 mm)

Johannes Wienecke, Sietske Wienecke-Abrahamsz op 64-jarige leeftijd in 1906 (brons, 52 x 70 mm)

Johannes Wienecke, gouden tientje 1913 (goud, 22 mm)

Johannes Wienecke, gouden tientje 1932 (goud, 22 mm)

Jan Pelsdonk is sinds 2008 conservator van het numismatisch kabinet.
Geschreven op 7 april 2020.