Teylers kunst- en rariteitenkabinet

Blog door conservator Jan Pelsdonk

Wie verzamelt moet keuzes maken. Wordt het schelpen, porselein of toch munten? Maar weinig mensen kunnen het zich veroorloven om breed te verzamelen en simpelweg alles wat maar enigszins interessant is naar zich toe te zuigen. De oude, belangrijke verzamelingen bestonden zowel uit door de mens gemaakte voorwerpen als uit zeldzaamheden uit de natuur, samengebracht in een kunst- en rariteitenkabinet (Kunst- und Wunderkammer). Zij werden in de regel aangelegd door gefortuneerde vorsten als keizer Rudolf II van het Heilige Roomse Rijk en aartshertog Ferdinand II van Tirol, die er hele vermogens aan uitgaven. Op kleinere schaal werd ook in de Republiek der Verenigde Nederlanden verzameld. Met name door de gegoede burgerij. De uitgebreide handelscontacten met verre oorden – niet in de laatste plaats dankzij de Verenigde Oostindische Compagnie – zorgden zowel voor toenemende welvaart (vooral bij de toch al niet arme bovenlaag van de bevolking) als voor een toestroom aan voorwerpen uit de natuur die in Europa onbekend waren.

Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) was een product van zijn tijd. Ook hij behoorde tot de gegoede burgerij. Hij zal bij familie, vrienden en zakenrelaties het nodige aan verzamelingen hebben aanschouwd. Mogelijk was dit voor hem een reden om zelf een collectie aan te leggen. Uiteindelijk had hij bij zijn overlijden een verzameling opgezette dieren, die helaas niet bewaard is gebleven maar vast niet bestond uit de plaatselijke fauna. Wél bewaard gebleven is zijn collectie munten en penningen. Het wordt dankzij archiefonderzoek steeds duidelijker wat Teyler zelf verzamelde en wat er later is bijgekomen. In zijn collectie bevonden zich enige oude en eigentijdse buitenlandse penningen en munten (zie de blog ‘Verdwaalde munt’ [https://www.teylersmuseum.nl/nl/bezoek-het-museum/teylers-verhalen/verdwaalde-munt]) maar vooral bestond zijn verzameling uit penningen uit - en over de Nederlanden.

Wie met een beperkt budget wil verzamelen en niet wil verdrinken in de hoeveelheid, moet keuzes maken. Pieter Teyler deed dat eveneens. Hij verzamelde de geschiedenis van de Nederlanden, vastgelegd op kleine – meest zilveren – ronde plaatjes, beter bekend onder de naam ‘penningen’. Daarbij moet bedacht worden dat de Nederlanden in de loop van de eeuwen vele gedaantewisselingen hebben ondergaan. De lage landen bij de zee omvatten ruwweg het huidige Nederland, België en het noorden van Frankrijk. Pieter Teyler zou ervoor gekozen kunnen hebben om alleen zijn ‘eigen’ Republiek te verzamelen maar uit historisch oogpunt was dat niet goed verdedigbaar, juist omdat de wordingsgeschiedenis van de Republiek en de Tachtigjarige Oorlog niet zijn uit te leggen zonder bredere context.

Deze achtergrond zorgde ervoor dat er in Pieter Teylers collectie ook vele penningen liggen die tegenwoordig als ‘Belgisch’ bestempeld zouden worden. Zo ook het bij dit artikel afgebeelde stuk. Het is een zogenoemde rekenpenning. Rekenpenningen werden eeuwenlang gebruikt voor – zoals de naam al zegt – het uitvoeren van berekeningen. Dit gebeurde op een telraamachtige wijze. Op een tafel werden lijnen uitgezet en door met de penningen over de vlakken te schuiven werd gerekend. Dit gebeurde onder andere in koninklijke, grafelijke en provinciale rekenkamers. Tegen het einde van de zestiende eeuw begon deze werkwijze achterhaald te raken, maar de penningproductie ging onverminderd voort. Steeds vaker werden ze uitgegeven voor verzamelaars. De penningen waren in die tijd bijzonder attractief omdat er vele gebeurtenissen uit de Tachtigjarige Oorlog op zijn vastgelegd. De afgebeelde penning is uit het einde van de tijd van de rekenpenning-productie. De vroegere rekenpenningmakers maakten in de zeventiende eeuw steeds vaker speelpenningen, fiches.

Sommige mensen hielden nog vast aan de oude traditie. Zo bevinden zich in Teylers collectie diverse rekenpenningen van de intendanten (opzichters) van de Brusselse vaart (het kanaal dat Brussel via Willebroek met Rupel en Schelde verbindt). Zij hadden een bestuurlijke functie, het daadwerkelijke werk rond de vaart lieten zij aan anderen over. Diverse intendanten lieten een penning vervaardigen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Zo ook dit afgebeelde stuk. De penning toont op de keerzijde het jaartal 1663, gescheiden door het hoofd van een engel. Dit hoofd is het muntteken van de stad Brussel en verwijst naar de stadspatroon Sint Michaël. De tekst HIS TVTA SVB ALIS (vrij vertaald: deze zijn veilig onder zijn vleugels) slaat op de afbeelding, waarbij een griffioen een geldkist bewaakt. Het wapenschild op de voorzijde is van Henri van Eesbeeke van der Haeghen (1603-1667). Hij was sinds 1636 advocaat bij de Raad van Brabant, zat in de periode 1648-1665 in het Brusselse stadsbestuur en was intendant van de Brusselse vaart. Tevens was hij schatbewaarder van Brussel. De penning is vooral op het laatste gebied interessant; Henri doet het blijkbaar voorkomen dat hij erg op de penning (zuinig) was en voorzichtig omsprong met het gemeenschapsgeld.

Het wapenschild van de familie Van Eesbeeke van der Haeghen is gedekt door een helm met een griffioen als helmteken. Het is deze griffioen uit het familiewapen die de schatkist bewaakt. Daarmee is dit verhaal rond, want de griffioen is een fabeldier (half adelaar, half leeuw) dat in een rariteitenkabinet niet zou hebben misstaan. Pieter Teyler had blijkbaar zelfs een griffioen in huis…

Anoniem, Rekenpenning van Henri van Eesbeeke van der Haeghen (1603-1667), schatmeester van Brussel en intendant van de Brusselse vaart. 1663, koper (TMNK 04905)

Jan Pelsdonk is sinds 2008 conservator van het numismatisch kabinet. Dit blog werd geschreven op 6 mei 2020.