Balaena Lamanoni Cuvier, 1781


In 1785 was museumdirecteur Martinus van Marum in Parijs om voor het museum inkopen te doen. Al spoedig hoorde hij over de vondst van een enorm bot dat in 1779 in de kelder van een pand in Rue Dauphine was gedaan. Zonder goed te weten wat het was, bood hij het enorme bedrag van 10 Louis d’Or en het bot was zijn eigendom. Wel wist hij dat het bot tot de walvisachtigen behoorde, welke groep dieren zijn belangstelling had vanwege de aanschaf van de Mosasauruskaak, die men ook nog tot deze groep rekende. Later onderzoek zou uitwijzen dat de Parijse vondst geen fossiel was, maar wellicht een bot van een recente walvis die vanwege de baleinen in de Franse hoofdstad terecht was gekomen. Het pand waar het bot werd gevonden, zou aan een fabrikant van damesondergoed hebben toebehoord, die het delen van het walvisbot (baleinen) verwerkte in zijn hoepelrokken en korsetten.

De zaagsnede in het bot leidde later nog tot het ongeloofwaardige verhaal dat Van Marum en zijn Franse collega Georges Cuvier allebei het bot hadden willen hebben. De eigenaar had toen, zoals bij het Salomons oordeel, het bot doormidden willen zagen om beide heren in hun wens te voorzien. Volgens het verhaal had Cuvier dit niet kunnen aanzien en het bot aan Van Marum gelaten. Als Van Marum echt had geweten wat dit bot was geweest, dan had hij er nooit op geboden.