Homo diluvii testis


Ondertekend met het jaar 4032 na de zondvloed, publiceerde Johann Jacob Scheuchzer, stadsdokter van Zürich, in 1726 een tekst met afbeelding van een mens die de zondvloed had aanschouwd. In het Latijn noemde hij het fossiel uit een steengroeve bij het Duitse Oeningen Homo diluvii testis. Zijn geloof in de historische waarheid van de Bijbel was groter dan zijn kennis van de anatomie. De overeenkomst met een menselijke schedel is oppervlakkig. In dezelfde eeuw waren er al mensen die het niet met hem eens waren. Zij zagen er een vis of een reptiel in. Wel waren toen alleen de schedel en de wervelkolom zichtbaar. De Franse anatoom Georges Cuvier mocht in 1811 het fossielvan v in Teylers verder uitprepareren. Hij legde de voorpoten vrij en bewees dat het om een grote salamander ging uit het Laat-Mioceen, 5 tot 10 miljoen jaar geleden.

Het fossiel werd in 1802 door museumdirecteur Martinus van Marum van de kleinzoon van Scheuchzer gekocht, voor 14 Louis d’or. Hoewel Van Marum wist dat dit niet de resten waren van een fossiele mens, vond hij de aanschaf belangrijk omdat het een schakel vormde in het denken over fossielen, de zondvloed en de plaats van de mens daarin.

Scheuchzer is een verwoed verzamelaar van fossielen. Hij is van mening dat fossielen overblijfselen zijn van vroegere levensvormen die in de Zondvloed zijn omgekomen. Dat zou de enige verklaring kunnen zijn voor het feit dat er resten
van planten, dieren en schelpen in de bergen gevonden werden, het water heeft ze daar gebracht.
Hij zoekt ook naar fossiele resten van in de Zondvloed omgekomen mensen en er is in 1726 van overtuigd zo een fossiel in de Alpen gevonden te hebben. Hij beschrijft het fossiel als het skelet van de Homo diluvii testis, mens die getuige was van de Zondvloed. Hoewel hij arts is, herkent hij het skelet niet als dat van een reuze-salamander.