De Siboga Expeditie

Blog door vrijwilliger van de afdeling Wetenschap Kees Kramer

Teylers Museum heeft zich vanaf zijn vroegste begin toegelegd op het onderzoek naar en het begrijpen van de natuur.  Er was vanuit het museum daarom ook grote belangstelling voor de vele ontdekkingsreizen in de 18e en 19e eeuw en de vele verslagen van expedities naar vaak verre oorden die door het museum voor de bibliotheek werden aangeschaft.

De ‘Siboga-Expeditie’ (1899-1900) vond plaats in Nederlands-Oost Indië, nu Indonesië. De missie ontleende haar naam aan de voor de Gouvernementsmarine in Amsterdam gebouwde kanonneerboot ‘Hr. Ms. Siboga’, een stoomschip dat werd verbouwd voor oceanografisch onderzoek. Er kwam bijvoorbeeld een Le Blanc-lier op voor diepzee lodingen, ook gebruikt voor waterscheppers en thermometers, met kilometers 0.9 mm dik staaldraad (vergelijkbaar met een pianosnaar). Voor het vissen en dreggen werden dikkere staalkabels op haspels gewikkeld. Ook kwam er een laboratorium op het schip. De bemanning moest dus behoorlijk inschikken om de wetenschappers ruimte te bieden.

Prof. Max Weber was de expeditieleider. Hij werd vergezeld door zijn vrouw Anna Weber-van Bosse, een algenspecialist, die onderdeel was van het onderzoeksteam, maar ook later de expeditie in een populair verslag zou vastleggen. Hoe opmerkelijk het was dat een vrouw destijds aan de universiteit studeerde (ze mochten de collegezaal pas na aankondiging van de docent betreden) was niets bij hoe vreemd het werd gevonden om vrouwen aan boord van een marineschip te hebben (dit was tot ver in de 20e eeuw hoogst ongebruikelijk). Zij deed het allebei. De commandant van het schip was de hydrograaf Luitenant ter zee der 1e klasse, G.F. Tydeman. Het onderzoeksteam bestond verder uit de zoölogen J. Versluys en H.F. Nierstrasz, de arts A. Schmidt en tekenaar J.W. Huijsmans. In totaal waren er 64 schepelingen.

De expeditie startte op 7 maart 1899 in Soerabaja voor een tocht van ruim 12.000 zeemijl door de Indische archipel,  het voer oostelijk van Java en Borneo tot nabij de Filippijnen in het noorden en Nieuw-Guinea, om op 27 februari 1900 te eindigen. Er werden op 323 meetstations waarnemingen gedaan, zoals het loden van de diepte, het dreggen en korren (vissen met een sleepnet) op de bodem of vissen in de waterkolom. Ook werd op de riffen en aan land onderzoek verricht.

De verzamelde organismen, meestal geconserveerd op sterk water, werden verstuurd naar het Zoölogisch Laboratorium van de Universiteit van Amsterdam, om vervolgens te worden verspreid over de verschillende specialisten in binnen- en buitenland. Het uitwerken van de zoölogische, botanische, hydrografische en geologische resultaten nam een aanvang.

Tijdens de expeditie werden talloze nieuwe soorten ontdekt. Het schip en de bemanning werden soms geëerd in de nieuwe taxonomische naamgeving, als geslacht (Siboglinum, Sibogita), of als species: (Geslacht) ‘sibogae’. Kampioen is wat mij betreft Sibogagorgia weberi (Stiasny, 1937) een zachte koraalsoort, met een dubbele verwijzing.

De resultaten werden gepubliceerd in monografieën ('Livraisons') bij uitgeverij Brill in Leiden. Teylers' bibliotheek verwierf ze vanaf het begin, in 1901. Maar een lange adem was nodig: het laatste deel van de serie, nummer 148, verscheen pas in 1986. Toen hadden 73 auteurs hun bijdrage(n) geleverd. In totaal bevat de reeks niet minder dan 17,150 pagina’s, ongebonden ruim 1.5 m boekenplank. De meeste delen bevatten, naast vele tekstfiguren, prachtige getekende en ook fotografische platen (in totaal 1.293 stuks). Tydeman was verantwoordelijk voor de bathymetrische kaarten en hydrografische opnamen. Ook na 120 jaar zijn de ‘Uitkomsten op Zoölogisch, Botanisch, Oceanografisch en Geologisch Gebied, verzameld in Nederlandsch Oost-Indië 1899-1900’ van de Siboga-Expeditie het bestuderen meer dan waard.

Kees J.M. Kramer is betrokken als vrijwilliger van de afdeling Wetenschap. Deze blog werd geschreven op 29 mei 2020.