Een versleten botdrager, is er niets beters?

Blog door conservator Jan Pelsdonk

Teylers Museum is de trotse beheerder van een bijzondere collectie Gelderse munten. Het leeuwendeel ervan is bijeengebracht door Theodorus Marinus Roest (1832-1898), de eerste conservator van het numismatisch kabinet. Hij legateerde zijn uitgebreide collectie aan het museum ter aanvulling van de Gelderse munten die uit de privécollectie van Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) zelf afkomstig zijn.

De deelcollectie Gelderse munten van Pieter Teyler was uiterst beperkt van aard. Het gaat om slechts acht munten uit de middeleeuwen naast vier stuks uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog. Roest daarentegen, had zijn collectie Gelderse munten doelgericht en met bijzonder veel aandacht en passie bijeengebracht, waarbij hij royaal gebruik maakte van zijn aanzienlijke vermogen. Zijn verzameldrift leverde een collectie op van ruim 800 munten. Hij woonde aan het Rapenburg in Leiden, na zijn overlijden is de verzameling getaxeerd door de Haagse munthandelaar Jean Henri Coronel (1846-1934), waarna alles in oktober 1898 per schip werd overgebracht naar Haarlem. 

De bij deze tekst afgebeelde munt is een van de exemplaren die deze tocht heeft gemaakt. Het is een dubbele groot, ook wel botdrager genoemd. De waarde van deze zilveren munt stond in die tijd ongeveer gelijk aan het dagloon van een geschoold bouwvakker. Twee groten hadden dezelfde waarde als een stuiver. De voorzijde toont een stoere leeuw in een compartiment van boogjes. Het dier heeft een helm met leeuw als helmteken op zijn kop. De tekst daaromheen luidt in Gotisch schrift ‘MARIA DE BRABATIE DVXCISA GELRI’, oftewel: Maria van Brabant, hertogin van Gelre. Maria van Brabant (circa 1325-1399) was de dochter van hertog Jan III van Brabant en in 1347 gehuwd met hertog Reinoud III van Gelre. Ze leefde in een roerige periode. Reinoud werd in de periode 1361-1371 gevangengehouden door zijn broer en na diens dood in 1371 werd er enige jaren getwist over de erfopvolging. Pas in 1379 keerde de rust terug onder hertog Willem I. Ergens in de periode 1362-1379 heeft Maria deze munt laten slaan, in de heerlijkheid Oyen (tegenwoordig in de gemeente Oss). Dat feit is vastgelegd op de keerzijde, met de tekst ‘MONETA OIENENSIS’.

De naam botdrager is afgeleid van de wapenmantel, die tussen de helm en de staart van de leeuw omhoog wappert. Die mantel heeft qua vorm veel weg van een draagkorf, indertijd bot genoemd, vandaar de bijnaam. De wapenmantel is op deze munt door slijtage echter vrijwel onzichtbaar. Dat leidt al snel tot de vraag waarom dit stuk zich dan toch in de museumcollectie bevindt. De botdrager is door Roest aangekocht op de veiling van de collectie van Pieter van der Chijs in 1870. Roest telde er het vorstelijke bedrag van 22 gulden voor neer. In 1852 had Van der Chijs deze munt beschreven in een boek uit de serie ‘De Nederlandse munten van de vroegste tijden tot 1576’ (een door Teylers Tweede Genootschap bekroonde inzending op een prijsvraag), waarbij hij schreef: ‘tot dus verre alleen in onze eigene verzameling voorkomende’. Een hoogst zeldzaam stuk van grote historische waarde dus en om die reden het verzamelen meer dan waard. Er bevinden zich meerdere unieke munten in Teylers collectie, die in zijn geheel op deze website wordt getoond. Werp er vooral eens een blik op, het is de moeite waard.

Gelre, Maria van Brabant, botdrager. Zilver, 31 mm (TMNK 06109)

Jan Pelsdonk is sinds 2008 conservator van het numismatisch kabinet. Dit blog werd geschreven op 12 mei 2020.