Nozeman en Sepp

Blog door junior conservator wetenschap Moed de Vries

Wanneer je Netflix uit hebt en alle kasten gereorganiseerd, rest je weinig meer dan een ommetje maken (op 1,5 meter afstand!) en uit het raam te kijken. Wat daar te zien valt hangt natuurlijk erg af van waar je woont, maar vanuit bijna elke woning in Nederland zijn er wel een paar vogels te zien. De vrijheid die zij belichamen voelt als in groot contrast met onze huidige situatie. Ze vliegen waar ze maar willen. Ongevoelig voor menselijke sores en RIVM-maatregelen, nestelen zij vrolijk door. Het is immers lente! Er moet gebroed worden. Wanneer wij opgesloten zitten in onze huizen, bouwen zij de hunne. En dat gaat al eeuwen zo.

Een werk waarvan precies 250 jaar geleden het eerste deel uitkwam, beschrijft onze vogels en hun nesten, of, om precies te zijn: Nederlandsche vogelen; volgens hunne huishouding, aert, en eigenschappen beschreven.’ door Cornelis Nozeman (1720-1786). Vijf geïllustreerde delen, gepubliceerd van 1770 tot 1829. Binnen de ornithologie is dit een uniek werk; het eerste min of meer volledige werk over Nederlandse inheemse vogels. Bovendien is het qua onderneming ongeëvenaard; het was een voor de Nederlandse boekdrukkunst ongekend kostbaar en langdurig project. Nozeman zelf heeft het publiceren van de laatste delen niet meegemaakt, en bij de publicatie waren maar liefst drie generaties Sepp (uitgevers en drukkers in Amsterdam) betrokken.

Gepubliceerd na Buffon’s Histoire Naturelle des Oiseaux (1770–1783) en voor Bewick’s A History of British Birds (1797–1804), past Nozeman perfect in zijn tijd. Niet alleen verzamelen en catalogiseren was 18e eeuws, ook de shiftende focus naar eigen vogelen. Deze werken zullen een inspiratie zijn geweest voor de beroemde 19e eeuws ornithologen, zoals John James Audubon en John Gould, maar doen voor hen niet onder. De 18e-eeuwse werken lijken nog wat onvolwassener dan hun 19e-eeuwse opvolgers: vogels staan bijv. afgebeeld als albino (Nozeman bevat verschillende voorbeelden, waaronder een witte spreeuw), en er staat ook vaak vermeld of de vogel goed te eten is. Maar dit maakt de werken ook des te leuker om door te bladeren, je kan van alles leren over hoe de natuur door de 18e-eeuwse wetenschapper beschouwd wordt. Allerlei gegevens die ornithologen nu niet als relevant zouden zien waren dat toen wel: het eten van kieviet werd in het bijzonder in het najaar aangeraden, en het water waarin de spreeuw gebaad heeft zou goed zijn voor de ogen. Ook zijn we sommige vogels anders gaan noemen, in Nozeman staat bijvoorbeeld een afbeelding van wat we nu een boerenzwaluw noemen, afgebeeld als huiszwaluw (en andersom). Zo hebben deze werken behoorlijk wat te bieden aan de 21e-eeuwse huis-, tuin- en keukenvogelaar.

Vogels betekenen veel voor ons, traditioneel kondigt het eerste kievietsei de lente aan, vaak in maart gevonden. Een andere volkswijsheid is dat de de komst van de boerenzwaluw de zomer  aankondigt (‘een zwaluw maakt nog geen zomer’). Deze boerenzwaluw arriveert vaak eind mei, en gaat hopelijk dit jaar niet alleen gepaard met de zomer, maar ook met de terugkeer van het normale leven in ons land.

Moed de Vries werkt sinds 2020 als junior conservator wetenschap in Teylers Museum. Deze blog werd geschreven op 24 maart 2020.